Afdrukken

Inname eiwit blijft op peil bij vervangen vlees door alternatieven

 
Wie vlees mindert en tegelijkertijd regelmatig alternatieve eiwitten eet, krijgt geen tekort aan kwalitatief goede eiwitten. 
 

Dat concludeert het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) op basis van een onderzoek naar voedingsmiddelen met nieuwe eiwitbronnen. 

In een gangbaar Nederlands voedingspatroon halen consumenten het grootste deel van hun eiwitten uit vlees, zuivel en ei. Die dierlijke eiwitbronnen zijn echter ongunstig voor het milieu en zullen in de toekomst minder beschikbaar zijn. Daarom groeit het belang van alternatieve eiwitbronnen, zoals soja of algen.

Voldoende inname

Het RIVM onderzocht of de overstap naar voedingsmiddelen met nieuwe eiwitbronnen gevolgen heeft voor de hoeveelheid eiwitten die Nederlanders binnenkrijgen en de kwaliteit daarvan.

De onderzoekers constateren dat de eiwitten in de nieuwe eiwittenbronnen iets minder goed door het lichaam worden opgenomen of een minder gunstige samenstelling aan aminozuren hebben. Maar omdat vrijwel niemand uitsluitend nieuwe eiwitbronnen gebruikt en het Nederlandse voedingspatroon meer dan genoeg traditionele eiwitten biedt, blijven Nederlanders genoeg hoogwaardige eiwitten binnenkrijgen.

Vleesvervangers

Het onderzoek spitste zich toe op producten die al in de winkel verkrijgbaar zijn, zoals soja en lupine als vlees- of zuivelvervanger. Daarnaast onderzocht het RIVM insecten (meelwormen en sprinkhanen), algen en kweekvlees dat nog niet te koop is. Insecten worden in Nederland toegepast in snacks; algenmeel wordt in brood verwerkt.

Bij de nieuwe voedingsmiddelen speelt, naast de hoeveelheid en kwaliteit eiwitten die ze bevatten, ook de veiligheid een rol. Van voedingsmiddelen met nieuwe eiwitbronnen moet van de Europese Unie eerst worden vastgesteld of ze veilig zijn, voordat ze commercieel op de markt mogen worden gebracht. 

Al eerder constateerde het RIVM dat ook kinderen in de groei geen last hebben van minder dierlijk eiwit,